Jonne is een van onze trouwe MuseumJeugdUniversiteit studenten. Lees hier haar blog over hersenonderzoek:

Het begon allemaal met de Museum Jeugd Universiteit in Museum Boerhaave (dat trouwens altijd erg leuk is om te doen) die ging over de hersenen van pubers. Het college werd gegeven door Eveline Crone, ze vertelde over haar onderzoek over de groei van de hersenen. Ik was nieuwsgierig naar wat dat inhield en ben op Google gaan zoeken. Uiteindelijk kwam ik op de site van het Brain and development Lab, de site van het hersen onderzoek. Ik las daar dat je je kon opgeven om mee te doen aan dat onderzoek. Kinderen vanaf 8 tot 18 jaar kunnen daar aan mee doen. Ik ben verder gaan lezen over wat dat inhield. Als je mocht meedoen ging je in een MRI scan en gingen ze een aantal testjes met je doen. Het leek me heel leuk, dus heb ik me opgegeven. Een jaar later belde een mevrouw dat ik mee mocht doen. Ze stuurde me een vragenlijst over je gezondheid, of je een beugel had die je niet uit kan doen.

Jonne in de MRI

Jonne in de MRI

Op zaterdag 13 augustus mocht ik de MRI scan in. Maar eerst werd uitgelegd over hoe het gebeurde en dat je in een best nauwe ruimte kwam. Toen ging het eindelijk gebeuren, de MRI scan in. Eerst moest ik alle spullen die metaal bevatte uit doen en moest ik kleding aan die ook geen metaal bevatte. In de MRI scan moest ik eerst vijf minuten stil liggen met mijn ogen dicht. Daarna moest ik twee hele leuke spelletjes spelen en daarna een stukje film kijken. Toen moest ik nog een paar opdrachtjes doen in een ander kamertje en toen was het al weer afgelopen. En kreeg ik allerlei cadeaus. Het was heel leuk en na twee maanden kreeg ik foto’s opgestuurd van mijn eigen hersenen. Cool hè!

Jonne's brein

Jonne's brein

Heb jij nou ook interesse ga dan naar: www.hersenen-in-actie.nl

Ter gelegenheid van het Museumcongres 2011 in Leiden schreef directeur van Museum Boerhaave, Dirk van Delft, het volgende stukje over het voorportaal van Museum Boerhaave.

Van Kruitschip tot KOG

Het KOG, het Kamerlingh Onnes Gebouw, is de locatie van de rechtenfaculteit. Maar eigenlijk is dit pand het voorportaal van Museum Boerhaave

Kamerlingh Onnes Gebouw

Kamerlingh Onnes Gebouw

Dat zit zo. Dit gebouw is per ongeluk tot stand gekomen. Op 12 januari 1807 om kwart over vier, op een gure maandag met nat sneeuw, vloog een kruitschip, dat volstrekt illegaal hier voor de deur in het Rapenburg lag afgemeerd, met een daverende knal de lucht in. Een hele stadswijk lag in puin. “Zei U iets, Te Water?”, schijnt de stokdove echtgenote van de hoogleraar godgeleerdheid, die verderop aan het Rapenburg woonde, te hebben opgemerkt.

In 1859 verrees op de Kleine Ruïne, zoals deze zijde van het litteken was gaan heten, een laboratorium dat plaats bood aan de Leidse chemie, natuurkunde en anatomie. De Grote Ruïne aan de overkant werd het Van der Werfpark.

Beeld Heike Kamerlingh Onnes

Beeld Heike Kamerlingh Onnes

Heike Kamerlingh Onnes, in 1882 aangesteld (door meten tot weten), heeft in dit gebouw het koudste plekje op aarde gemaakt. De ontplofbare toestellen die monsieur zéro absolu gebruikte, het Leids Fysisch Kabinet en andere topstukken die hij als onbruikbaar ouderwets naar de zolder bonjourde, vonden rond 1930 hun weg naar Museum Boerhaave.

Een explosie als start – dat kan nooit met een sisser aflopen!

Dirk van Delft

Of ik een `Claude glass‘ kon namaken – voor een expeditie naar de Zuidpool. En of ik ooit had gehoord van de `graphic telescope’.

Graphic Telescope

Graphic Telescope

De uit Argentinië afkomstige kunstenares Irene Kopelman had wel vaker een buitengewoon plan opgevat. Naar Hawaï afreizen om de textuur van gestolde lavastromen te bestuderen bijvoorbeeld. Werkte ze in Latijns Amerika voornamelijk in en over het omringende landschap, het verhuizen naar Europa dwong haar tot een onderzoekende houding tegenover onze omgang met het schijnbaar natuurlijke gegeven. Natuur geordend in eeuwenoude collecties. Natuurlijke variatie in de grip van classificatie. Genoeg stof om er de eerste promotie in de Kunsten in Nederland mee in te vullen – Kopelman promoveerde begin september, begeleid door de Utrecht Graduate School of Visual Art and Design en de Finnish Academy of Fine Arts, Helsinki.

Die `Claude glass’ namaken lukte destijds nog wel. De `graphic telescope’ was een ander verhaal. Dit in de vroege 19de eeuw ontwikkelde wetenschappelijk instrument was een treffend voorbeeld van gespecialiseerde technologie. Een deel ervan werkte als een camera lucida, en stelde kunstenaars in staat in één oogopslag naar onderwerp én tekenblad te kijken. Door die twee over elkaar te projecteren introduceerde het apparaat een nieuwe tekenmethodiek. Maar de uitvinder van de `graphic telescope’, Cornelis Varley, kwam bovendien de in de 19de eeuw opkomende landschapkunst tegemoet. Hij voorzag de camera lucida van een telescoop, zodat verre landschappen zich mooi in het vizier en op het tekenblad presenteerden.

Een begeerd instrument voor iemand die – net als de 19de-eeuwse expeditieleden – vol verwondering het Antarctische landschap aanschouwt maar in de toenadering gehinderd wordt door de barre omgeving.

Het obscure apparaat verdient een grondigere analyse dan een archiefstudie ooit kan bieden. Het was via dit instrument dat de eerste beschrijvingen, tekeningen en gravures van het Antarctische gebied de warmere klimaten bereikten. Kopelman had voor haar Zuidpoolexpeditie de middelen gevonden. Om een graphic telescope te maken was een vakman vereist. Paul Steenhorst, hoofdrestaurator van Museum Boerhaave, was meteen enthousiast.

Maar zoals het een obscuur instrument betaamt bleken er in deze contreien geen originele Varley-`graphic telescopes’ bewaard gebleven te zijn. Paul en ik reisden in juli af naar Engeland – de plek waar meerdere exemplaren bewaard zijn gebleven. Na een blitzbezoek aan Cambridge en Oxford hadden we alle gegevens van de `graphic telescope’, mechanisch en optisch, verzameld, en hadden we een blik kunnen werpen op onderlinge variaties. Dat bleken er heel wat te zijn. Schijnbaar is Varley het instrument blijven doorontwikkelen – elke keer bracht een puzzel van tientallen onderdelen ons tot nieuwe inzichten over het apparaat. Gewapend met de vereiste gegevens vingen we de terugtocht aan.

Graphic Telescope detail

Graphic Telescope detail

Amper vier weken later was ie klaar. Hetgeen een klein wonder kan worden genoemd. Paul heeft in die tijd kilo’s messing verspaand, en toverde in zijn werkplaats een perfect werkende `graphic telescope’ tevoorschijn (ikzelf gaf de typenummers van de benodigde lenzen door aan Paul en ging met vakantie…).

De dienst op de Zuidpool moet Pauls `graphic telescope’ nog invullen, maar nu al staat het instrument prominent ten toon op Kopelmans promotie-expositie, getiteld `The Molyneux Problem’. Die loopt tot en met 25 september in de Basis voor Actuele Kunst, Lange Nieuwstraat 4 in hartje Utrecht. Ook werk getuigend van een eerdere Zuidpoolreis door Kopelman is daar te bezichtigen. Een vervolgtentoonstelling, waarin ook werk vervaardigd mét de graphic telescope te zien zal zijn, is eveneens in de maak – die komt eind dit jaar in Londen.

Irene Kopelman

Irene Kopelman

Wordt vervolgd!

Tiemen en Paul

Voor zijn afstuderen kreeg Jeroen Koomen een replica van de Van Leeuwenhoek microscoop. Hij heeft er al enig onderzoek mee verricht, in de stijl van Van Leeuwenhoek, getuige zijn verslag:

“Vanavond heb ik net als Antoni van Leeuwenhoek bij kaarslicht zitten experimenteren met zijn microscoop. Ik heb een beetje vals gespeeld, want ik weet hoe je preparaten moet maken die maar een cellaag dik zijn (en dat is nodig om de cellen goed te kunnen zien) en heb geprobeerd om een foto te maken van wat ik kon zien. De foto is niet heel geweldig, want het is nogal lastig om de microscoop in focus te houden en met de andere hand een foto te maken. Het beeld wat ik zelf door de microscoop zag was veel mooier. (…) De foto heb ik bijgevoegd, het zijn cellen van een ui belicht met kaarslicht.”

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Ui bekeken door replica Van Leeuwenhoek microscoop

Cellen

Cellen

Dank je wel Jeroen voor je verslag en de mooie foto’s!

Meer informatie over de replica leest u hier.

Vera

Since 1960 Museum Boerhaave sells copies of the Van Leeuwenhoek microscopes. These microscopes were made  by mr. Arie de Vink, previous restorer/conservator of the museum.

After his retirement mr. De Vink continued with the production. Just recently, on 86 years of age he decided to stop producing them. Understandable, but a problem for Museum Boerhaave. This because there is a regular demand for these copies of the Van Leeuwenhoek microscope.

I was asked if it would be possible to take over the production of these microscopes, which I took on with great enthusiasm. To create a difference between the replica of mr. De Vink’s and mine, I decided to choose an other model of the microscopes in our collection to replicate.

Left: original and new replica, Right: original and De Vink”s replica

Museum Boerhaave owns five Van Leeuwenhoek microscopes. I choose for the microscope with the convex shape in the plates, to fit the lens in. This choice has some advantages: Because  the lens which is used for the replica, has a thickness of2,3 millimetres, it can be easily placed in the concave shapes in the plates. Besides this the microscope is a bit larger in size than the one made by mr. De Vink.

His lens which was placed in the replica made wasn’t functioning for the full 100%. This because of the spherical lens. The disadvantage of this type of lens is that the focal distance is only tenths of millimetres separated from the surface of the lens. If you want to be able to see something through the spherical lens with a diameter of2,5 mm, you’ll have to put the specimen that close to the lens that it will be touching the surface. Tiemen Cocquyt, scientific co-operator of Museum Boerhaave came with the solution! A cut lens, often used in the mobile-phone industry. The main advantage is the focal distance. These lenses (meant for the camera function on your mobile) have a focal distance of about3 millimetres, Therefore it magnifies up to around eighty times. This resembles quite well with the original Van Leeuwenhoek microscopes. Though there were some higher and lower magnifications, but the overall average was around this value.

(Notice: The three microscopes in the boerhaave collection with lens: 74x, 80x and 118x, Two microscopes have no lens.)

Obviously this lens is of modern make, still the lens owns the same capabilities: Standard optical glass, uncoated and the right shape (biconvex)

The lenses in the replica are made in a factory but are just as imperfect as the lenses of the Van Leeuwenhoek microscope. Therefore the lenses used in the replica microscope are the best choice even though there are minor differences. An other advantage of these lenses is that continuity in production is guaranteed, for later orders.

An other problem for the continuity in the production of the microscopes is  the making of the screw thread. Van Leeuwenhoek had a screw thread with a pitch of0,8 millimetreon a diameter of2,2 millimetre. This isn’t a standard pitch. On the replica of mr. De Vink’s taps and dies were used which were made by hand. The disadvantage of the use of these taps and dies is that they are very hard work to produce. This also means that there is a high risk of breaking the taps, which means it’s making the production very time consuming and expensive.  That’s why I choose to use the coarsest thread still available: 3/32 BSW (British Standard Whitworth 2.3 mmdiameter) which aligns with the original diameter used in the original microscope (2.2mm). The Pitch is finer though, but tests have proven that only real experts will see the difference.

The long threaded arbour which moves the dressingholder up and down has a bit of clearance. This gave a problem, because the dressingholder isn’t fixed to the main plate. By observing the original microscope and the replica made by de Vink, it showed that the squarely bent mounting was bent a bit further, to take away the clearance. This I also applied.

Like the originals the replicas are made out of brass.

The original microscope is coloured dark over the years. To make the replicas match as close to the originals I patinated them without putting on a coating for protection. To allow them to make a patinated surface over the years.

To sell the replica’s as originals is impossible. Therefore the replicas are marked with the Boerhaave logo and have, as been said a different type of screw thread. Also by recalculating the lens, you can tell a modern lens was used.

Hand made replica

The result is a hand made replica with a good working lens, which in appearance comes very close to the original microscopes by Van Leeuwenhoek. These replica’s are momentarily only available at Museum Boerhaave for €195,- . For information please contact Annelore Scholten

Paul Steenhorst 
Instrumentmaker and Head Conservator of the conservation department of Museum Boerhaave

 
 
 
 

Mijn naam is Tjeerd Bakker en ik ben assistent restaurator/uurwerkmaker in Museum Boerhaave. Mede vanuit mijn specialisatie op uurwerkgebied ben ik van begin af aan gefascineerd door astronomische regulateurs. Graag wil ik u daarom een beetje vertellen over een astronomische regulateur gemaakt door de firma Strasse & Rohde uit Glasshütte. Het zijn niet alleen de hoge precisie en de nauwkeurigheid van de klok, die mij erg aanspreken maar ook de technische aspecten van het uurwerk.

In 1899 is de betreffende regulateur aangeschaft door Hendrik van de Sande Bakhuyzen. De klok werd daar gebruikt bij het zojuist geopende astrofotografie gebouw naast de sterrenwacht. Het was alleen echter na een complete revisie door Strasse & Rohde in 1905 dat de klok volledig ging functioneren.
Na 1924 heeft het uurwerk gefunctioneerd als een moederklok die elders in de sterrenwacht elektrische uurwerken aanstuurde. De klok is hierdoor aangepast, door de elektrische contacten aan te brengen en de slinger te zetten naar siderische tijd.

(Siderische tijd wordt in de volksmond ook wel sterrentijd genoemd. Hierbij wordt de tijd afgestemd door een verstaande ster in plaats van het hoogste punt van de zon. Door siderische tijd te kunnen meten neem je een ster waar op een bepaald tijdstip. De volgende maal dat de ster weer voorbijkomt stop je de waarneming. De aarde is dan precies een keer rond geweest. Dit heet een siderische dag. Een siderisch jaar duur ook precies een dag korter dan een normaal zonnejaar. Of 3 min 56 sec per dag. Dit komt doordat ”kortgezegd” de aarde per jaar een rotatie om de zon maakt.)

De twee meest bijzondere  aspecten in vergelijking met een normale klok , zijn de wijzerplaat en de slinger.
Zoals te zien is op de afbeelding  heeft de wijzerplaat een heel andere verdeling dan die van een gewone alledaagse wijzerplaat van een domestische klok. De secondeverdeling zit weliswaar op de gebruikelijke plaats van de wijzerplaat, maar de uur en de minutenwijzers zijn uitelkaar gezet. Een van de eerste echte wijzerplaten met een dergelijke verdeling is te zien op een vroege astronomische klok gemaakt door Thuret ook te zien in Museum boerhaave. Ook zijn de uren verdeeld in 24 uren in plaats van twaalf.

Het tweede bijzondere aspect van de klok is dat de klok is uitgerust met een slinger gemaakt door Riefler in Duitsland. Kenmerken voor deze slingers is dat de staaf voor een deel gevuld is met kwik. Die met temperatuur uitzet of krimpt om voor of achterlopen tegen te gaan. De typische lens die door de firma Riefler is gebruikt heeft de minste lucht weerstand om zo min mogelijk effect te hebben bij verschil in luchtdruk. In het midden zit een moer om de slinger grof op tijd te kunnen stellen.  Onder aan de slinger zit een massa stukje om de slinger fijn te kunnen stellen. Ook zie je halverwege de slinger een bakje zitten. Deze wordt ook wel een loper genoemd die ook voor de fijn afstelling van de slinger ingesteld kan worden door kleine massa stukjes in lopertje  te doen. Een groot probleem bij precisie klokken is de aandrijving van het raderwerk naar de slinger toe. Ondanks de hoge kwaliteit van de raderen in de klok zijn er altijd kleine onnauwkeurigheden. Bijv. de onconcentriciteit van raderen. Bij deze klok heeft men dit opgelost door een soort van dubbele slingerveer te gebruiken. De dubbele slingerveer, het woord zegt het al, heeft twee functies:

  • het ophangen van de slinger
  • Het indirect doorgeven van de impuls naar de slinger, vanuit het raderwerk. Doordat dit met een veer gebeurt wordt een zeer groot deel van de onnauwkeurigheid van het raderwerk er uit gefiltreerd.

Ik hoop dat ik wellicht wat duidelijkheid heb kunnen scheppen het kleine wereldje van astronomische klokken. Het is namelijk voor een niet-klokkenmaker moeilijk te begrijpen dat dit alles in een ogenschijnlijk makkelijk uurwerk zit verwerkt.

Tjeerd

Ik ben Ad Maas en werk sinds 2003 als conservator in Museum Boerhaave. Het object waar ik een speciale band mee bezit ziet er op het eerste gezicht niet bijster fascinerend uit. Het oogt als een dertien-in-een-dozijn natuurkundig instrument uit het begin van de twintigste eeuw. Vandaar misschien dat het vele jaren onopgemerkt in het depot van het museum heeft staan verstoffen.

Ik stuitte op het instrument toen ik – ik werkte nog maar kort in Museum Boerhaave – het depot rondstruinde met een Duitse collega die een tentoonstelling over Einstein aan het voorbereiden was. We zochten naar objecten die iets met Einstein te maken konden hebben, toen mijn oog plotseling viel op een wat grofstoffelijk ogend instrument met een fabrikantenplaatje met daarop de naam Habicht. ‘Ken ik die naam niet?’, dacht ik, en toen viel het kwartje. We waren gestuit op een uiterst zeldzaam exemplaar van het ’machientje’ van Einstein.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

Einsteins machientje (rechts) met zijn aandrijfmotor. Einstein bouwde dit apparaat samen met de broers Paul en Conrad Habicht. Hij wilde met dit machientje kleine hoeveelheden elektriciteit meten om zijn berekeningen aan de Brownse beweging en de massa-energie-equivalentie van de speciale relativiteitstheorie te kunnen toetsen.

De binnenkant van Einsteins potentiaalmultiplicator.

Het ‘machientje’ van Einstein is een instrument om uiterst kleine elektrische ladingen te meten, bedacht door Albert Einstein himself in de jaren voor 1910. Hij dacht ermee enkele van zijn revolutionaire theorieën uit zijn ‘wonderjaar’ 1905 te kunnen bewijzen. Bovendien meende Einstein dat zijn uitvinding alle vergelijkbare instrumenten overbodig zou maken. Zijn vriend en instrumentmaker Paul Habicht, met wie hij het apparaat in elkaar zette, bracht het op de markt. De potentiaalmultiplicator, om de officiële naam ook maar een keer te noemen, werd een daverende misluking. Het functioneerde simpelweg niet goed. Vermoedelijk zijn er ook maar weinig van verkocht, en slechts drie exemplaren hebben voor zover bekend de tand des tijds doorstaan.

Het mooie aan het Einsteins machientje vind ik dat het een heel menselijke Einstein toont: als iemand die vol enthousiasme en hooggespannen verwachtingen de schroevendraaier ter hand neemt en vervolgens ook blijkt te kunnen falen. Decennia later kijkt hij laconiek op de episode terug: Schön wars, auch wenn nicht brauchbares herausgekommen ist’.

Ad 

meer info over het machientje lees je hier.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.

%d bloggers like this: