Vrijdagmiddag om 15:00 maakte Halbe Zijlstra zijn bezuiniginsgplannen voor de cultuur sector bekend. Deze plannen zorgen voor donkere onweerswolken boven Museum Boerhaave. De reden dat het museum in zwaar weer terecht komt is dat de staatssecretaris de regels tijdens het spel verandert. Aanvankelijk werd gesteld dat Museum Boerhaave, evenals de andere door het Rijk gesubsidieerde musea, tot en met 2012 de mogelijkheid zouden krijgen om gemiddeld 17,5% van hun budget eigen inkomsten te genereren. Nu wordt door Zijlstra echter het gemiddelde over 2010 en 2011 genomen. Dat is alsof er nog maar 1 helft gespeeld mag worden…

Ook op Twitter nam de verontwaardiging hierover al snel grote vormen aan. Ter illustratie even een aantal reacties onder elkaar:

En dit is slechts een deel van de reacties.

Dat er binnen korte tijd al zoveel tweeps zijn die ons een hart onder de riem steken doet ons goed. We laten niet zomaar onze deuren sluiten door een scheidsrechter die maar 1 helft laat spelen!

Bart

Litho ter ere van het 80 jarig jubileum, Jeroen Hermkens

Vandaag bestaat Museum Boerhaave 80 jaar. In het weekend van 18-19 juni zullen we dit in het museum groots vieren. Je bent van harte uitgenodigd op ons partijtje!

In het volgende verhaal vertelt conservator Ad Maas over de geschiedenis van het museum.

De papieren oprichting voltrok zich in 1928, terwijl in 1931 het museum daadwerkelijk zijn deuren opende. Dit jubileum biedt een mooie gelegenheid om eens terug te gaan naar de wortels van het museum.

Deze wortels lagen in de Leidse natuurkunde. De belangrijkste oprichter, en eerste directeur van het museum was August Crommelin, adjunct-directeur van het Kamerlingh Onnes Laboratorium. Dankzij zijn inzet en organisatorische vaardigheden is het voortbestaan Nederlands fysische erfgoed verzekerd. De oorsprong van het museum is nog altijd zichtbaar in de wijze waarop de collectie wordt gepresenteerd.

Met de aanstelling van Kamerlingh Onnes als hoogleraar experimentele fysica, brak er in 1882 een nieuw tijdperk aan in het Leidse Natuurkundig Laboratorium. In tegenstelling tot zijn voorgangers, die zich voornamelijk als docenten beschouwden, stelde Onnes het onderzoek centraal – met succes, zoals we inmiddels weten. Bij een nieuw tijdperk horen nieuwe instrumenten. Vrijwel meteen na zijn aanstelling begon Onnes zijn laboratorium in te richten met instrumenten die zijn cryogene onderzoeksapparaat vorm moesten geven. De in der loop der vele decennia opgebouwde collectie demonstratie-instrumenten, waaraan zijn voorgangers veel waarde hadden gehecht, was plotsklaps gedateerd. De oude instrumenten, waaronder de beroemde ’s Gravesande– Van Musschenbroekcollectie, moesten wijken en werden zonder pardon naar de zolder verhuisd.

Claude August Crommelin 1878

Met het wegvallen van hun functie waren ze zogezegd in een klap historisch materiaal, museale objecten. Het wachten was alleen nog op iemand die ze in vitrines zou zetten en ze toegankelijk zou maken voor publiek. Die iemand was Claude August Crommelin (1878-1965).

We weten niet erg veel van Crommelin. Onbekend is waarom hij in Leiden ging studeren, terwijl Amsterdam – waar hij het gymnasium had gedaan – geografisch meer voor de hand had gelegen voor de te Nieuwer Amstel geboren Crommelin. We komen ook niet te weten waarom het de studierichting wis- en natuurkunde werd en waarom hij daarbinnen koos voor de experimentele fysica van Kamerlingh Onnes. Crommelin was van goede komaf  – hij was zoon van een luitenant ter zee eerste klas (later bankier) – en wordt steevast als ‘aristocraat’ gekenschetst, zonder dat daarbij overigens wordt gespecificeerd hoe dit zich uitte en wat dat wilde zeggen over de manier waarop hij in het leven stond en hoe zich tot zijn medemens verstond.

Feit is dat Crommelin zijn gehele werkzame leven in het Natuurkundig Laboratorium heeft doorgebracht. Eerst als assistent, vanaf 1907 als conservator en vanaf 1924 als adjunct-directeur. Als onderzoeker heeft Crommelin zich veelal met het edelgas argon beziggehouden. Hij stelde voor zijn promotieonderzoek een toestandsvergelijking van het edelgas op en deed dampdrukmetingen. Crommelins werk getuigt niet van veel verbeeldingskracht en creativiteit, maar goed, dat verwachtte Onnes ook niet van zijn onderzoekers die bovenal door stug meten tot hogere waarheden moesten zien te geraken.

Crommelin werd in 1907 conservator, tegelijk met Willem Keesom de latere opvolger van Onnes. Waar Keesom de conservator ‘met hersens’ werd en zich met het wetenschappelijk onderzoek moest bemoeien, werd Crommelin de conservator die – weinig aristorcratisch –  ‘naar smeerolie en vet’ rook, wat wilde zeggen dat hij voor het technische gedeelte zorg droeg.  Crommelins werkzaamheden lagen echter op een breder terrein. Hij werd in feite de regelneef van Kamerlingh Onnes, die toezicht hield op personeel en organisatie, en die bijvoorbeeld de externe contacten onderhield. Crommelin werd bovendien betrokken bij de instrumentmakersopleiding. Crommelin kreeg ervaring in het leiden van een organisatie.

Als conservator technische zaken droeg Crommelin ook verantwoording voor de oude apparaten op zolder, de instrumenten onder meer die Musschenbroek voor ’s Gravensande had gebouwd, en die studenten uit heel Europa naar diens colleges had gelokt. Het moet een prikkelend contrast zijn geweest om de dikwijls fraai uitgevoerde luchtpompen en windmolens van het fysische kabinet geconfronteerd te zien met de esthetisch weinig verheven, maar uiterst krachtige en efficiënte apparaten uit de dagelijkse onderzoekspraktijk. Wie weet heeft dit spanningsveld ten grondslag gelegen aan zijn liefde voor de historische instrumenten. Misschien ook hield hij van oude instrumenten eenvoudigweg omdat hij een ‘musisch mens’ was, wat hem, zoals Willem Otterspeer suggereert, ontvankelijk maakte ‘voor de samenhang van doelgerichtheid en schoonheid in die instrumenten’ (Crommelin hield hartstochtelijk veel van lezen en muziek). Maar ook dit weten we niet zeker. Het eerste bewijs dat Crommelin gegrepen was door de oude instrumenten dateert uit 1926, toen hij een catalogus van de historische collectie het licht liet zien, deBeschrijvende catalogus der historische verzameling van natuurkundige instrumenten. Later begon hij zelf wetenschapshistorische studies te verrichten, over herhalingen van de proeven van Michelson, tralies van Nobert, over ’s Gravensande, en bovenal over Huygens.

Kamerlingh Onnes en bedrijfschef van het cryogeen laboratorium Gerrit Jan Flim (links) bij de tweede heliumliquefactor, 1919.

De verzameling ‘historische’ instrumenten had echter van begin af aan ook nog een andere kant: de relikwieën die behoorden tot de topprestaties uit de eigen tijd. Men was zich in het laboratorium van Kamerlingh Onnes terdege ervan bewust dat er geschiedenis werd geschreven. Het zelfbewustzijn van de Leidse fysici over de eigen prestaties blijkt wel uit het feit dat de relikwieën die van deze prestaties getuigen zorgvuldig werden bewaard, ook als ze voor het actuele onderzoek niet meer van belang waren. De heliumliquefactor uit 1908, de weerstanden waarin supergeleiding voor het eerst was waargenomen, maar bijvoorbeeld ook een tamelijk onooglijk stuk geblakerd buis waarin in 1922 een nieuw temperatuurrecord werd gevestigd, zijn dankzij de Leidse eigendunk voor het nageslacht bewaard gebleven. Ter ere van het veertigjarig professoraat van Kamerlingh Onnes werden in 1922 historische plaatsen van het laboratorium omgedoopt tot een soort tentoonstellingsruimten met instrumentarium en tekeningen die de successen van het laboratorium verbeeldden. Het zal voor Crommelin een soort eerste museale vingeroefening zijn geweest.

Zo waren er twee motivaties om de fysische objecten in een museale omgeving onder te brengen: ten eerste de conservering van een onvervangbare en unieke historische collectie die – zo herhaalde Crommelin keer op keer – hun bestaan niet zeker waren zolang ze her en der verspreid in de laboratoria stonden, en ten tweede het verheerlijken van de eigen prestaties.

Enkelvoudige luchtpomp, Jan van Musschenbroek

Eind jaren twintig begon Crommelin stad en land af te reizen op zoek naar oude collecties om aan de Leidse toe te voegen. Hij bezocht de HBS te Deventer, waarvan hij gehoord had dat ze een waardevolle historisch collectie bezat, en sprak er met C.M. Hoogeboom, een leraar aldaar die hij als oud-student van de Amsterdamse experimentator Pieter Zeeman ongetwijfeld kende, en die hij ertoe probeerde te bewegen de collectie in bruikleen te geven. In Utrechts bezocht hij de hoogleraar natuurkunde L.S. Ornstein om oude instrumenten los te weken. In beide gevallen ving Ornstein bot, maar een brief aan de Groningse fysicus Dirk Coster leverde een fraaie luchtpomp van Van Musschenbroek op.

De bezoeken en briefwisselingen verraden veel over de wijze waarop de museumcollectie in de eerste tijd werd uitgebreid. In de kleine academische wereld kende iedereen iedereen, en degene die het museum op poten zetten en draaiende hielden maakte er zelf deel van uit. Door hun contacten te benutten droegen ze zorg voor de uitbreiding van de collectie. Deze collectie, zo nu en dan aangevuld met een aankoop bij een handelaar, ontsteeg zo het lokale niveau, en sterkte zich gaandeweg uit over alle natuurwetenschappen en de geneeskunde. De collectie van het Natuurhistorisch Museum werd er een van internationale allure.

Crommelin affiniteit lag voornamelijk bij de natuur- en sterrenkunde. Daar lag in de aanvankelijke collectie duidelijk ook het zwaartepunt. Dat andere natuurwetenschappen en de geneeskunde echter al snel al belang wonnen, was te danken aan Crommelins medeoprichters.

De creatie van het Nederlands historisch Natuurwetenschappelijk museum was geen eenmansactie van Crommelin geweest, maar werd ondersteund door diverse medestanders uit de Nederlandse academische en medische wereld. De Gorinchemse arts Jan Gerard de Lint (1867-1936) was de belangrijkste medeoprichter van het museum naast Crommelin. Het mag aan hem worden toegeschreven dat de geneeskunde deel ging uitmaken van de collectie. Daarnaast speelde met name de privaatdocent in de morfologie ene sytematiek van ongewervelde dieren C.J. van der Klauw een actieve rol. Kopstukken als Keesom, diens mededirecteur Wander Johannes de Haas, de wiskundige J.C.J. Bierens de Haan en de astronoom Willem de Sitter werden ingezet om het draagvlak verder te vergroten.

Het moderne museum Boerhaave

Leids Fysisch Kabinet

Leids Fysisch Kabinet

In de huidige opstelling is de grondslag van het museum terug nog altijd te zien. Het Leids Fysisch kabinet en het Kamerlingh Onnes Laboratorium zijn nog altijd de twee peilers waarop de fysische collectie in de vaste presentatie rust (in respectievelijk zaal 4 en 5, en in zaal 21). Ook op een ander vlak heeft de oprichting echter zijn sporen nagelaten. Het Nederlandsch Historisch Natuurwetenschappelijk Museum was in de eerste plaats een museum van en voor de geleerde elite, voor de happy few die de historische wetenschappelijke en medische instrumenten op waarde konden schatten. Kenmerkend is het bezoek dat Albert Einstein bracht in het openingsjaar, vergezeld van De Haas en Ehrenfest junior. Crommelin wilde met de inrichting ook best rekening houden met ‘de vacantiegangers, die op een regendag in vredesnaam dan maar een museum binnenlopen’, maar het museum was er toch vooral voor het ‘ontwikkeld publiek’.

De grondslag week daarmee af van vergelijkbare buitenlandse musea die vaak vanuit educatieve doeleinden waren opgericht.  Dat echter de opvoedkundige taak Crommelin wel degelijk ook na aan het hart lag bleek in een toespraak uit 1947, waarin hij betoogde‘dat het bezoek aan oordeelkundig ingerichte musea en tentoonstellingen er toe kan bijdragen ons volk op te voeden naar regionen van ontwikkeling en beschaving, hoger dan die waarnaar andere cultuurfactoren, zoals film, radio, jazz, bridge, kruisraadsels dit vermogen te doen’.

De tijd dat kruisraadsel als een bedenkelijke vorm van lagere cultuur werden gerekend ligt inmiddels achter ons. Museum Boerhaave is in de loop der tijd veranderd van een door enthousiastelingen begonnen liefhebberij tot een zakelijke organisatie. Het bedrijf wordt niet meer geleid door gepassioneerde hobbyisten uit de wetenschappelijke gemeenschap, maar door professioneel opgeleide gepassioneerde museummedewerkers die geen (modern) middel onbenut laten om zowel mogelijk bevolkingslagen het museum in te krijgen. In het huidige Museum Boerhaave nog altijd het historische wetenschappelijke instrument – moeilijk of niet – centraal.

Inmiddels zijn we ongeveer 3/4 jaar bezig met de restauratie van de Leidse Sphaera en naderen we het einde van dit grote project. Hoogste tijd om nog eens een blog te schrijven over deze restauratie!

Voorafgaand aan de restauratie hebben we eerst veel overlegd met collega restauratoren en onderzoek gedaan. Samen met deze andere restauratoren hebben we een vragen en wensenlijstje opgesteld en daarna hebben we bekeken wat er allemaal mogelijk was.

Een paar van deze punten zal ik hier even toelichten.

Een van de onderzoeken die we zelf konden doen is het kijken naar de lak lagen. Dat hebben we gedaan met UV licht. Door op het object te schijnen kun je goed zien of een oppervlak ooit gelakt is geweest. Dit is belangrijk om te weten of je het weer opnieuw moet lakken. Uit het onderzoek bleek dat het eerder gelakt was, dus dat hebben we ook gedaan.

Van de wijzerplaat wilden we weten of deze ooit verzilverd is geweest. Dit is iets dat we niet zelf konden onderzoeken. Hierbij hebben we de hulp ingeroepen van het ICN (Instituut Collectie Nederland).

De samenstelling van het metaal en de laklaag is non destructief onderzocht met behulp van X-ray Fluorescentie. De wijzerplaat bleek nooit verzilverd geweest te zijn en de samenstelling van het messing van de wijzerplaat was bijzonder zuiver. Ook dit onderzoek bewees weer dat de Sphaera gelakt is geweest

Door dit onderzoek hebben wij kunnen besluiten de wijzer plaat niet te verzilveren.

Na de restauratie hoop ik een restauratieverslag te kunnen presenteren aan iedereen die daar maar in geïnteresseerd is. Wordt vervolgd!

Paul

Onlangs gaf professor Marcel Dicke een college aan onze jonge studenten over insecten. Het ging vooral over het eten van insecten. Aan het einde van het college hebben alle kinderen dapper een gefrituurde sprinkhaan geproefd; best lekker eigenlijk!

Hoe zijn insecten te herkennen?
Er zijn een paar kenmerken die ieder insect heeft en waarom we het een insect noemen. Insecten hebben namelijk zes poten, dus zo is een dier met acht poten een spinachtige en niet een insect. Daarnaast bestaat het lichaam van een insect uit een kop met daar aan twee antennes, waarmee het insect veel kan zoals bijvoorbeeld ruiken. Ook bevinden zich aan de kop monddelen. Bij een insect kan het zo zijn dat zijn kaken niet in de mond zitten maar buiten op zijn kop. Verder heeft een insect een borststuk met daar aan zes poten en vaak twee vleugels, maar sommige insecten hebben vier vleugels of helemaal geen vleugels. Na het borststuk volgt het achterlijf waar bijvoorbeeld de darmen inzitten.

Waarom worden insecten niet zo groot als zoogdieren?
Insecten zijn altijd klein en worden nooit zo groot als bijvoorbeeld een olifant. Insecten hebben namelijk hun skelet aan de buitenkant zitten. Net als ridders die vroeger een harnas droegen om zich te beschermen hebben insecten ook hun harde skelet aan de buitenkant zitten als bescherming. Als ze groter zouden zijn zou dat skelet te zwaar worden en zouden ze alleen maar op de grond kunnen liggen en niet kunnen bewegen.

Waarom is het bestaan van insecten zo belangrijk?
Insecten zijn heel belangrijk want zonder insecten zouden wij mensen niet eens kunnen bestaan. Ze zorgen soms voor ons eten doordat ze helpen bij het bestuiven van bloemen en daardoor groeien verschillende vruchten. Door het helpen bij het bestuiven blijft ook de natuur bestaan. Daarnaast zijn insecten onze poepopruimers. Veel insecten eten poep en dat zorgt ervoor dat wij niet in een bootje door de poep over straat moeten varen, maar dat het opgeruimd wordt. Daarnaast dienen insecten zelf als voedsel voor andere dieren, zodat andere dieren kunnen blijven leven en wij die andere dieren kunnen opeten.

Kun je insecten eten?
Je kan zeker insecten eten en dat is lekker. Mensen van over de hele wereld eten insecten. Wij vinden het raar om insecten te eten, maar in bijvoorbeeld Azië of Afrika eten ze heel vaak insecten. In Columbia eten ze gepofte insecten als ze naar de bioscoop gaan in plaats van popcorn. In insecten zitten dezelfde voedingsstoffen als in een biefstukje, dus kun je insecten net zo goed eten als vlees van een koe of varken. Eigenlijk hebben we allemaal wel een keer insecten gegeten, want in de fabriek bij het maken van appelmoes, pindakaas en nog veel meer eten wordt er soms een insect meegemalen in de machine en komt die dus op jouw bord terecht alleen herken je hem niet meer.

Waarom is het goed om insecten te eten?
Insecten eten is heel gezond. Zo kun je van koeienvlees soms ziek worden als het vlees is van een zieke koe, bijvoorbeeld bij de gekke koeienziekte. Als je een insect eet dat ziek is kan je daar als mens niet ziek van worden, omdat wij zo anders zijn dan insecten.
Daarnaast hebben we veel  minder ruimte nodig om een insect op te laten groeien dan een koe en daarom kunnen we veel meer insecten maken als voedsel op dezelfde grond dan koeienvlees.  Ook poept een koe veel meer dan een insect en zorgt het maken van een biefstukje voor meer opruimwerk dan het maken van een gefrituurde sprinkhaan.

Eet je een insect als je een roze koek of rode M&M eet?
Soms eten we dingen waarvan we helemaal niet wisten dat het gemaakt is van een insect. Zo eet je eigenlijk heel veel rode schildluizen als je een roze koek eet of een rode M&M. De kleurstof in dit lekkere eten is namelijk gemaakt van rode schildluizen.

MuseumJeugdUniversiteit is voor kinderen van 8 – 12 jaar. De inschrijvingen voor de volgende reeks MuseumJeugdUniversiteit zijn weer begonnen. Kijk op de site voor meer informatie!

Vera

In het depot van Museum Boerhaave liggen soms voorwerpen die er helemaal niet thuis horen. Zoals een hamer en duimstok. Genummerd en al zijn deze in de collectie opgenomen terwijl het gewoon gereedschap is dat iemand heft achtergelaten, vervolgens is het gevonden door een conservator of depot medewerker en op die manier ergens aan toe geschreven en de collectie ingeslopen. Dit soort ongelukjes komen wel vaker voor in grote collecties als de onze, zeker toen vroeger alle objecten nog los op planken in het depot lagen. Nu heeft elk object een vaste plek.

Zo dacht ik ook over een soort stuk zeemleer dat ergens op een plank lag. Zou dit per vergissing in de collectie zijn opgenomen? Na controle van het objectnummer op het label bleek het toch om een echt object te gaan. Collectiestuk nummer 24072 bleek gelooide mensenhuid te zijn. Een wat macabere vondst vond ik zelf. Op de huid zijn verder geen tatoeages of andere opmerkelijke kenmerken te zien. De huid voelt heel stug aan en lijkt net een stuk hard geworden zeemleer….

gelooide mensenhuid

Paul

Sprints, XLS, product backlog, burn down grafiek…  Een week geleden zou ik niet weten waar iemand het over heeft als hij of zij deze termen zou gebruiken. Maar vanaf afgelopen dinsdag weet ik beter! Samen met Vera en Maaike zijn we bij Fabrique in Amsterdam begonnen met het bouwen van een nieuwe website.

Boerhaaviaanen die hun veilige museologische ecosysteem verruilen voor de geheel nieuwe en onontdekte wereld van het website design. Zou dat wel goed gaan?

Als oud bioloog gaan bij een verandering van habitat (om nog maar even in de ecosystemen te blijven) alle voelsprieten naar buiten. Hoe groot is de biodiversiteit (met hoeveel verschillende soorten specialisten gaan we samenwerken)? Wie heeft waar zijn territorium (wie gaat wat doen)? En is er concurrentie om natuurlijke voedselbronnen (wie en waar komt/haalt/brengt de koffie)? Voor een eerste grondige  analyse van dit nieuwe ecosysteem is het nog te vroeg. Daar zullen we later in dit project ongetwijfeld nog uitvoerig op terug komen.

Maar wat dit project voor Boerhaave minstens zo bijzonder maakt is dat er gekozen is voor een scrum traject. Dat houdt in dat binnen een korte tijd intensief door een projectteam wordt samengewerkt. Iedereen, van de conservator tot programmeur, van interactie ontwerpster tot graphic designer,  gaat tegelijk aan de slag. De planning is te volgen op een sprintboard:

Iedere afdeling heeft een kleur. De verschillende post-it’s staan voor de verschillende specifieke taken. Bijvoorbeeld het aanleveren van een tekst. Elk teamlid kiest een post-it en verplaatst die op het sprintboard naar doing. Op het moment dat die tekst klaar is mag die persoon zijn/haar kaartje naar done verplaatsen. Net zo lang tot alle post-it’s aan de rechter kant van het sprintboard staan. Zo heeft iedereen op elk moment van de dag een goed overzicht van de stand van zaken.

Het sprintboard

en zoals te zien is, is er nog een boel werk aan de winkel!

Binnenkort meer (:

Bart

Als conservator geef je vaak lezingen over de meest verschillende onderwerpen. Voordat je een lezing maakt, je foto’s bij elkaar zoekt, powerpoint leuk hebt aangekleed, denk je na over wat je publiek zou willen horen.

Verwacht je juist veel specialisten of zit er publiek in de zaal dat voor een meer algemeen verhaal komt. Als er leden van het natuurkundig genootschap in de zaal zitten dan heb je wel een indicatie wat de insteek van je verhaal moet zijn. Maar wat als je een lezing moet voorbereiden voor een zondagnamiddag. Een lezing de vrij toegankelijk is en waarvan alleen het thema een beetje bepalend zal zijn?

Het zou interessant zijn als het publiek van te voren invloed kan uitoefenen op de inhoud van de lezing die gegeven gaat worden. Onmogelijk? Nou, niet helemaal. Via twitter vroegen we ons af wat onze volgers nou graag zouden willen weten over radioactiviteit. Dit zijn een aantal vragen die gesteld werden:

@museumboerhaave Waarom het onmogelijk is om kernafval verantwoord op te slaan. (halfwaardetijd materialen en levensduur opslagruimten)

@museumboerhaave waar komt toch dat sprookje vandaan dat je licht geeft als je radioactief besmet bent?

@museumboerhaave in Hollywood films worden moorden gepleegd met radioactiviteit, is dat realistisch?

Alleen al deze drie vragen geven genoeg aanknopingspunten om een hele middag te vertellen over radioactiviteit in de wetenschap. Daarmee is het experiment waarbij Twitter gebruikt wordt om een lezing te maken wat mij betreft al meer dan geslaagd.

Maar wees gerust, mocht u ooit eens een lezing in museum Boerhaave bij willen wonen dan hoeft u geen zitvlees te hebben. Dik een half uur spreken is ook voor een conservator vaak ook al meer dan genoeg (:

Bart

%d bloggers like this: