Archive

Tag Archives: restauratie

Of ik een `Claude glass‘ kon namaken – voor een expeditie naar de Zuidpool. En of ik ooit had gehoord van de `graphic telescope’.

Graphic Telescope

Graphic Telescope

De uit Argentinië afkomstige kunstenares Irene Kopelman had wel vaker een buitengewoon plan opgevat. Naar Hawaï afreizen om de textuur van gestolde lavastromen te bestuderen bijvoorbeeld. Werkte ze in Latijns Amerika voornamelijk in en over het omringende landschap, het verhuizen naar Europa dwong haar tot een onderzoekende houding tegenover onze omgang met het schijnbaar natuurlijke gegeven. Natuur geordend in eeuwenoude collecties. Natuurlijke variatie in de grip van classificatie. Genoeg stof om er de eerste promotie in de Kunsten in Nederland mee in te vullen – Kopelman promoveerde begin september, begeleid door de Utrecht Graduate School of Visual Art and Design en de Finnish Academy of Fine Arts, Helsinki.

Die `Claude glass’ namaken lukte destijds nog wel. De `graphic telescope’ was een ander verhaal. Dit in de vroege 19de eeuw ontwikkelde wetenschappelijk instrument was een treffend voorbeeld van gespecialiseerde technologie. Een deel ervan werkte als een camera lucida, en stelde kunstenaars in staat in één oogopslag naar onderwerp én tekenblad te kijken. Door die twee over elkaar te projecteren introduceerde het apparaat een nieuwe tekenmethodiek. Maar de uitvinder van de `graphic telescope’, Cornelis Varley, kwam bovendien de in de 19de eeuw opkomende landschapkunst tegemoet. Hij voorzag de camera lucida van een telescoop, zodat verre landschappen zich mooi in het vizier en op het tekenblad presenteerden.

Een begeerd instrument voor iemand die – net als de 19de-eeuwse expeditieleden – vol verwondering het Antarctische landschap aanschouwt maar in de toenadering gehinderd wordt door de barre omgeving.

Het obscure apparaat verdient een grondigere analyse dan een archiefstudie ooit kan bieden. Het was via dit instrument dat de eerste beschrijvingen, tekeningen en gravures van het Antarctische gebied de warmere klimaten bereikten. Kopelman had voor haar Zuidpoolexpeditie de middelen gevonden. Om een graphic telescope te maken was een vakman vereist. Paul Steenhorst, hoofdrestaurator van Museum Boerhaave, was meteen enthousiast.

Maar zoals het een obscuur instrument betaamt bleken er in deze contreien geen originele Varley-`graphic telescopes’ bewaard gebleven te zijn. Paul en ik reisden in juli af naar Engeland – de plek waar meerdere exemplaren bewaard zijn gebleven. Na een blitzbezoek aan Cambridge en Oxford hadden we alle gegevens van de `graphic telescope’, mechanisch en optisch, verzameld, en hadden we een blik kunnen werpen op onderlinge variaties. Dat bleken er heel wat te zijn. Schijnbaar is Varley het instrument blijven doorontwikkelen – elke keer bracht een puzzel van tientallen onderdelen ons tot nieuwe inzichten over het apparaat. Gewapend met de vereiste gegevens vingen we de terugtocht aan.

Graphic Telescope detail

Graphic Telescope detail

Amper vier weken later was ie klaar. Hetgeen een klein wonder kan worden genoemd. Paul heeft in die tijd kilo’s messing verspaand, en toverde in zijn werkplaats een perfect werkende `graphic telescope’ tevoorschijn (ikzelf gaf de typenummers van de benodigde lenzen door aan Paul en ging met vakantie…).

De dienst op de Zuidpool moet Pauls `graphic telescope’ nog invullen, maar nu al staat het instrument prominent ten toon op Kopelmans promotie-expositie, getiteld `The Molyneux Problem’. Die loopt tot en met 25 september in de Basis voor Actuele Kunst, Lange Nieuwstraat 4 in hartje Utrecht. Ook werk getuigend van een eerdere Zuidpoolreis door Kopelman is daar te bezichtigen. Een vervolgtentoonstelling, waarin ook werk vervaardigd mét de graphic telescope te zien zal zijn, is eveneens in de maak – die komt eind dit jaar in Londen.

Irene Kopelman

Irene Kopelman

Wordt vervolgd!

Tiemen en Paul

Advertisements

Inmiddels zijn we ongeveer 3/4 jaar bezig met de restauratie van de Leidse Sphaera en naderen we het einde van dit grote project. Hoogste tijd om nog eens een blog te schrijven over deze restauratie!

Voorafgaand aan de restauratie hebben we eerst veel overlegd met collega restauratoren en onderzoek gedaan. Samen met deze andere restauratoren hebben we een vragen en wensenlijstje opgesteld en daarna hebben we bekeken wat er allemaal mogelijk was.

Een paar van deze punten zal ik hier even toelichten.

Een van de onderzoeken die we zelf konden doen is het kijken naar de lak lagen. Dat hebben we gedaan met UV licht. Door op het object te schijnen kun je goed zien of een oppervlak ooit gelakt is geweest. Dit is belangrijk om te weten of je het weer opnieuw moet lakken. Uit het onderzoek bleek dat het eerder gelakt was, dus dat hebben we ook gedaan.

Van de wijzerplaat wilden we weten of deze ooit verzilverd is geweest. Dit is iets dat we niet zelf konden onderzoeken. Hierbij hebben we de hulp ingeroepen van het ICN (Instituut Collectie Nederland).

De samenstelling van het metaal en de laklaag is non destructief onderzocht met behulp van X-ray Fluorescentie. De wijzerplaat bleek nooit verzilverd geweest te zijn en de samenstelling van het messing van de wijzerplaat was bijzonder zuiver. Ook dit onderzoek bewees weer dat de Sphaera gelakt is geweest

Door dit onderzoek hebben wij kunnen besluiten de wijzer plaat niet te verzilveren.

Na de restauratie hoop ik een restauratieverslag te kunnen presenteren aan iedereen die daar maar in geïnteresseerd is. Wordt vervolgd!

Paul

Museum Boerhaave verkoopt al sinds 1960 kopieën van Van Leeuwenhoek microscopen. Deze microscopen werden gemaakt door Arie de Vink, restaurator van het museum. Na zijn pensionering is De Vink doorgegaan met de productie. En pas onlangs, op 86-jarige leeftijd, is hij ermee gestopt. Begrijpelijk, maar voor Museum Boerhaave een probleem, omdat er een geregelde vraag is naar deze Van Leeuwenhoek-kopieën. Aan mij is gevraagd of ik de productie over kon nemen en ik heb deze opdracht met beide handen aangegrepen. Om een onderscheid te maken tussen de replica van Arie de Vink en die van mij, heb ik besloten een andere Van Leeuwenhoek microscoop als model te kiezen om na te maken.

Links origineel en nieuwe kopie en rechts origineel en kopie van de Vink

Museum Boerhaave is in het bezit van een vijftal Van Leeuwenhoekjes, en ik heb gekozen voor het exemplaar met een verdieping om de lens in te passen. Deze keuze heeft een aantal voordelen: omdat de lens die voor de nieuwe replica wordt gebruikt 2.3 millimeter dik is, kan hij in dit model makkelijker in de houder geplaatst worden. Bovendien is de microscoop iets groter waardoor hij beter te hanteren is.
De lens die in de replica van De Vink zat voldeed niet 100% omdat hij kogelvormig was. Het nadeel van zo’n lensje is de brandpuntafstand van maar een paar tienden van een millimeter. Als je wat wil zien door een bolletje met een diameter van 2.5 millimeter, moet je het object nagenoeg tegen het lensje aan houden. Tiemen Cocquyt, wetenschappelijk medewerker van Museum Boerhaave kwam met een oplossing in de vorm van een geslepen lens die gebruikt wordt in de telefoon-industrie. Het grote voordeel is de brandpuntafstand: deze lensjes – bedoeld voor de foto-optie van je mobieltje – hebben een brandpuntafstand van drie millimeter, waardoor de vergroting rond de tachtig maal komt te liggen. Dit stemt aardig overeen met de originele Van Leeuwenhoek microscoopjes. Weliswaar zaten daar hoge en lage uitschieters tussen – maar gemiddeld lag de vergroting rond deze waarde. (NB: voor de drie Boerhaave-exemplaren met lens: 74x, 80x en 118x, twee exemplaren hebben geen lens).

Uiteraard is het lensje van moderne makelij. Wel is gekozen voor een lensje dat de originele eigenschappen zo goed mogelijk benadert: standaard optisch glas, ongecoat, en van de juiste vorm (biconvex).
De lensjes in de replica komen uit een moderne fabriek, maar zijn net zo min perfect als de lensjes van Van Leeuwenhoek. Van wat momenteel op de markt is, komen de optische eigenschappen van de replica’s daarom het meest in de buurt van de originele instrumentjes. Een groot voordeel van een modern fabriekslensje is ook dat er continuïteit gewaarborgd is voor latere bestellingen.
Een ander continuïteitprobleem was het schroefdraad van de Van Leeuwenhoek. Van Leeuwenhoek heeft schroefdraad gebruikt van 0,8 millimeter spoed op een diameter van 2.2 millimeter. Dit is natuurlijk geen standaard spoed. Bij de replica die Arie de Vink heeft gemaakt zijn zelf gefabriceerde tappen en snijplaten gebruikt. Dit heeft het nadeel dat een tap en snijplaat maken zeer arbeidsintensief is, met een groot risico op breuk. Dit maakt de productie zeer tijdrovend en duur . Daarom heb ik gekozen voor de grofste schroefdraad die er nog standaard te krijgen is: 3/32 BSW (British Standard Whitword 2.3 mm diameter) wat ongeveer overeenkomt met Van Leeuwenhoeks origineel (2.2 mm). De spoed is echter wat fijner. Tests hebben uitgewezen dat alleen de echte kenners dit verschil zien.

De lange schroefas die het preparaat op en neer beweegt heeft een beetje speling. Dat gaf een probleem, omdat de preparaathouder los tegen de lenshouder aanstond. Door goed te kijken naar het origineel (en de replica van De Vink) bleek dat Van Leeuwenhoek dat slim had opgelost door de haakse beugel waar dat schroefdraad doorheen loopt ietsje door de hoek heen te buigen, waardoor de speling weggedrukt wordt. Dit heb ik ook toegepast. Net zoals de originelen zijn de replica’s gemaakt van messing. Het origineel is door de leeftijd donker geworden. Om de replica’s zo veel mogelijk te laten lijken op het origineel zijn ze donker gepatineerd en niet voorzien van een beschermlaagje, dit geeft ze op de langere duur een mooi egaal patina.

Het verkopen van de replica als origineel is onmogelijk: de replica’s zijn voorzien van het Boerhaave logo en bezitten zoals gezegd een andere schroefdraadvorm. Ook is bij nameten te zien dat er een moderne lens is gebruikt. Het resultaat is een handgemaakte replica met een goed werkende lens die bovendien erg dicht bij een origineel Van Leeuwenhoekje komt.


Deze replica’s zijn voorlopig alleen te koop bij Museum Boerhaave zolang de voorraad strekt.

Paul

U zult zich wel afvragen: hoe zit het toch met de restauratie van het TBC-huisje, die we voor de zomer stap voor stap konden volgen op de museumblog? Is de restauratiepoging mislukt? Is het TBC-huisje opgegeven? Gelukkig niet! Maar nadat het werk werd onderbroken voor de vakanties, volgde een intensieve periode van de opbouw (en afbraak) van tijdelijke tentoonstellingen, diverse andere museumwerkzaamheden en niet te vergeten: slecht weer. Veel van de werkzaamheden aan het TBC-huisje vinden namelijk in de openlucht plaats.

Maar sinds een week of twee ben ik weer volop bezig met het project. De zij- en achterwanden van het huisje verkeren in een redelijke toestand. Ik moest alleen wat reparaties van gespleten en gekrompen delen uitvoeren. De ramen en kozijnen wil ik in een later stadium aanpakken. De voordeuren en vooral de kozijnen heb ik afgewerkt en in de menie gezet.  

 

Ik heb glaslatten uit eikenhout gezaagd en in de sponningen geplaatst, glas besteld en gezet. Ook de deuren zitten nu weer in de voorgevel van het huisje. De komende tijd zal ik vooral het repareren van de kozijnen in de zijwanden onder handen nemen.

Maar nu alle wanden weer min of meer intact zijn heb ik eerst eens als proef het hele TBC-huisje in elkaar gezet. Tot mijn grote voldoening paste alles perfect in elkaar!

Wordt vervolgd

Vincent

Deze week ben ik begonnen aan de vloer. Hierbij stuitte ik op een aantal ‘rotte’ uitdagingen. De onderkant van de vloer zit vol met houtrot. En ook aan de achterzijde is de balk over de hele breedte verrot. 

 

Er zijn extra planken en balken aangebracht om de instabiele verbindingen te ondersteunen. Als eerste heb ik de extra steunbalken verwijderd en de verbindingen gezekerd. Met een kapzaag en/of beitel en flessenhamer heb ik alle rotte stukken hout verwijderd. De grote en kleine gaten heb ik schoongemaakt en gevuld met houtrotvulmiddel of een nieuw stuk hout.

Van de rotte balk over de breedte van de vloer heb ik de helft weg gezaagd tot het schone hout. Het weggezaagde deel heb ik vervangen met een nieuw stuk grenenhout. Daarna heb ik de verbindingen voor de wieldragers opnieuw uitgebeiteld.

De draagbalken waar de wieltjes en de as op gemonteerd zijn heb ik van extra steunbalken voorzien zodat het geheel een grotere vloerbelasting kan hebben.

De as en de wieltjes zijn ontdaan van oxides en alle aangepaste en bewerkte delen zijn in de menie gezet.

Tijd voor vakantie!

Vincent Scheerman

Wordt vervolgd

Afgelopen weken stuitte ik op het volgende probleem. Het inlegslot op de deur van het TBC huisje ontbrak en een vergelijkbaar slot was niet te vinden. Daarom heb ik het oude slot- en sleutelgat dichtgemaakt en zo aangepast dat er een vergelijkbaar slot in past. (foto 1 en 2)

foto 1

foto 2

Het volgende probleem dat ik heb aangepakt zijn de schanieren van de deur. Deze waren vastgeroest en de schroefgaten zijn uitgelubberd (foto 3). Deze schroefgaten heb ik uitgeboord en gevuld met stophout. De schroefgaten zijn voorgeboord zodat de schroeven weer stevig passen en de schanieren zijn schoongemaakt waardoor ze weer soepel draaien.

foto 3

foto 4

De overkapping aan de linkerkant van de voorzijde van het huisje was, net als de rechtkant rot. De rotte plekken zijn uitgezaagd en haaks gestoken en vervangen. (foto 4)

Wordt vervolgd,
Vincent

Hoe het begon: Van geocentrisch naar een heliocentrisch wereldbeeld

Nicolaas Copernicus zette in 1543 de wereld op zijn kop met zijn boek De revolutionibus orbium coelestium (Over de omwentelingen der hemellichamen). In dat boek beschreef hij een planetenmodel met de zon als middelpunt, in tegenstelling tot het heersende beeld dat de aarde het middelpunt van het heelal was. Het duurde een eeuw voordat dit zogenaamde heliocentrisch wereldbeeld, fijngeslepen door Johannes Kepler en Galileo Galilei, vaste grond vond bij de Europese geleerden. Het gewone volk was echter nog niet zover. Een Rotterdamse burgemeester zag het zijn taak om ook hen te overtuigen van het heliocentrisch wereldbeeld. Daarvoor liet hij (ruim een eeuw eerder [!] dan de nu meer bekende Eise Eisinga) een enorm planetarium bouwen.

Nicolaas Copernicus

Burgemeester van Rotterdam

De Rotterdamse burgemeesterszoon Adriaen Vroesen volgde in 1669 zijn vader op. Als rijke regent beperkte hij zich niet tot bestuurlijke zaken, maar liet zich ook gelden in het sociale en culturele leven van die dagen. Het planetarium wat Vroesen liet maken, moest niet alleen het volk bekend maken met de nieuwste inzichten hoe het planetenstelsel eruit zag. Het pronkstuk diende ook Vroesens vooraanstaande positie in Rotterdam te bevestigen. Voor het ontwerp werkte Vroesen samen met de klokkenmaker Steven Tracy en liefhebber van de ‘vrije consten’ Nicolaas Stampioen. Kosten nog moeite zijn gespaard om Nederlands grootste (zeventiende eeuwse) planetarium te maken.

prent Leidse Sphaera

De Leidse Sphaera

Erg lang kon Vroesen niet van zijn planetarium genieten. In 1672 zorgde het ‘rampjaar’ ervoor dat Vroesen uit zijn ambt werd gezet en zijn vooraanstaande status verloor. Het planetarium bleef achter in de anonimiteit van de Rotterdamse vroedschap. Pas in 1710 kwam het planetarium weer in de openbaarheid toen de erven van ‘Sebastiaen Schepers, Vroedschap der Stadt Rotterdam’ het planetarium schonken aan de Leidse Universiteit. De universiteit constateerde echter dat het planetarium ‘eenigsints beschadigt’ was en nog in elkaar gezet moest worden. Hiervoor trok men de Haagse klokkenmaker Bernard van der Cloesen aan, die het planetarium in oude luister herstelde.

De universiteit plaatste het planetarium zichtbaar voor het publiek in de bibliotheek. Ze maakten er ook reclame voor door in 1711 een pamflet uit te geven over de ‘sphera automatica’. Voor de buitenlanders werd dit pamflet ook in het Latijn, Engels, Frans en zelfs Deens gepubliceerd. Uit talloze reisverslagen blijkt dat de Sphaera hiermee internationale faam verwierf.

In de negentiende eeuw werd de Sphaera van de bibliotheek naar de Leidse Sterrewacht verhuisd. Niet veel later besloot de toenmalige directeur van de Sterrenwacht, Frederik Kaiser – door de aanhoudende kosten om het planetarium werkend te houden en de nieuwste astronomische inzichten – het planetarium naar de zolder te verplaatsen. Daar kwam de Sphaera pas weer vanaf in 1931. Het werd toen geschonken aan de voorloper van Museum Boerhaave, dat toen zijn deuren opende.
Restauratie van een uniek planetarium

De Sphaera op zaal

Er kan verondersteld worden dat het planetarium sinds de verhuizing van de universiteitsbibliotheek naar de Leidse Sterrewacht, dus in circa 200 jaar, niet gerestaureerd is. Museum Boerhaave heeft de Sphaera alleen actief geconserveerd door haar te beschermen tegen roest. Tot voor kort was de centrale plaats van het planetarium in de vaste tentoonstelling (zie bovenstaande foto van de Spaera op zaal 4) een belemmering voor eventuele ingrijpende restauraties. Recent zijn de zalen 4 en 5 tijdelijk heringericht en is het planetarium ontmanteld en naar het depot verhuisd. Hierdoor is een unieke mogelijkheid ontstaan om het object nader te bestuderen en te restaureren. Uit vooronderzoek volgen zwaarwegende redenen om het planetarium te willen restaureren: het uurwerk is vervuild, er is corrosie over het gehele object (hierdoor zijn bijvoorbeeld de wijzerplaat en gradenbogen niet meer te lezen) en de beschermde laag op het messing is bijna geheel verdwenen. Daarnaast zijn in het verre verleden een aantal reparaties uitgevoerd die, volgens de huidige inzichten, beter hersteld kunnen worden.

Resultaat

Museum Boerhaave wil via een weblog de vorderingen bijhouden van de restauratie van de Sphaera. De weblog zal voorzien worden van korte filmfragmenten van de restauratie.
Tijdens de restauratie zal Museum Boerhaave publieke ontmoetingen organiseren met het restauratieteam. Bij deze ontmoetingen krijgt het publiek een kijkje achter de schermen doordat ze letterlijk over de schouder van de restaurator mogen meekijken. De restaurator geeft toelichting en er is gelegenheid om vragen te stellen.

Wordt vervolgd…

%d bloggers like this: